De tycoon mummelt een beetje. In 2011 zal hij 80 jaar zijn. Maar oh, wat zou ik graag mummelen met de staat van dienst van Rupert Murdoch. Zijn imperium News Corporation bestiert hij sind 1954. Met een lokaal Australisch krantje en tv-station, dat hij van zijn vader erfde, veroverde hij achteenvolgens Australië, Groot-Brittannië de Verenigde Staten en Azië. Je kunt hem een schavuit noemen, want hij is er niet vies van om zijn kranten en tv-stations als politiek wapen in te zetten. Maar dat is het spel en zo zijn de regels. Als je tycoon bent.

Alleen steken er een paar zeurende nagels in Murdochs doodskist. Daar staan de namen op van Larry Page en Sergey Brin, de twee slimme Stanfordboys die in 1998 Google bedachten en die de zoekmachine volgens de nieuwe wetten van de interneteconomie gratis uitrolden over de hele wereld. "Zij stelen onze verhalen", lispelt de mummie. En hij kondigt aan dat hij de ‘contentkleptomanen en plagiaatplegers' met een hele batterij juristen te lijf zal gaan.

En Murdoch gaat nog verder: alle content van zijn kranten en tv-stations zal, op een inhoudsteaser na, achter een betaalmuur verdwijnen. "Dat zal tijd worden", roept zijn leeftijdgenoot Warren Buffett. Deze miljardair bijgenaamd ‘Het orakel van Omaha' kapittelt de uitgeefbranche omdat die sinds de opkomst van het internet te zelfgenoegzaam heeft gedacht dat het allemaal zo'n vaart niet zou lopen. Online gaven zij hun product gratis weg, terwijl ze er op papier geld voor bleven vragen. Als ze hun lezers eerder hadden opgevoed met de gewoonte dat je ook voor online content geld moet betalen, hadden ze nu kunnen beschikken over een geaccepteerd (verdien)model.

"As is verbrande turf", zei mijn moeder altijd. Het kan zomaar zijn dat Buffett en Murdoch bezig zijn de vorige oorlog uit te vechten.

Rupert heeft aardig wat politieke rellen op zijn naam staan, maar op dit terrein wordt hij toch grandioos verslagen door Google. Page en Brin veroorzaakten begin 2010 een culturele oorlog tussen het Westen en het Chinese imperium met hun beslissing om de Chinese Muur van Censuur rond de Chinese internetgebruikers aan te vallen (omdat Google zich onder dwang van de Chinese communistische partij uit China zou moeten terugtrekken, hebben de golden boys hun verzet maar een maand vol kunnen houden). Het Witte Huis steunde hun principiële stap en Hillary Clinton, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, dikte dat nog eens aan met een internet freedom initiative dat botst met het beleid van de Chinese Mandarijnen.

Is dit nu de strijd van de giganten? Niet alleen in de economische loopgraven, maar zelfs op het diplomatieke strijdtoneel? Is het de strijd van de economie van het geld verdienen tegen de economie van het delen? De strijd van machtsmonopolies tegen the crowd, het miljardenleger van autonome internetgebruikers? Daar ziet het wel naar uit. Nog kort geleden waarschuwde cyberjurist Lawrence Lessig, de grondlegger van het auteursrechtensysteem Creative Commons, dat de grote mediaconcerns jacht maken op elke particulier die iets download of op sites als Hyves of Youtube plaatst waarbij hun auteursrechten in het geding kunnen zijn. Als is het maar een blooperfilmpje over de poes, waarbij op de achtergrond het tvtoestel toevallig Fox-nieuws of Sky heeft opstaan.

Hun wapen is een internationaal verdrag, het Anti-Counterfeiting Trade Agreement (ACTA). Dat, aldus Lessig, buitensporige actie tegen auteursrechtschendingen mogelijk maakt. Hij pleit voor een liberaler systeem waarbij makers ervoor kunnen kiezen om niet-commercieel gebruik van hun werk mogelijk te maken.

Toch, als ik eerlijk ben, deel ik het standpunt van Murdoch: laat de gebruiker voor content betalen. De verdedigers van de vrije internetrevolutie, zoals Guardian-hoofdredacteur Alan Rusbridger, zien voor zich dat de adverteerders al deze gratis content mogelijk zullen maken, omdat zij rabiaat op zoek zijn naar online bereik. Worden we daar dan warm van?

‘Gratis internet' bestaat dus niet. Murdoch was er snel mee klaar: "Bullshit!"