“Wegwezen nu!” De kreet waarmee filosoof Andreas Kinneging de camera-overvallers van Powned van zijn trappen joeg, is symbolisch voor een flink aantal incidenten waarbij het publiek zijn woede koelt op een medium. Het is een haat-liefdeverhouding die snel kan exploderen. 

De rel die ontstaat wanneer een 9-jarig weesje na een vliegramp in zijn ziekenhuisbed wordt gebeld door een journaliste. Een goed florerende krant die zelfs van de ene op de andere dag wordt opgeheven, door de volkswoede over het afluisteren van de mobiele telefoon van een ontvoerd en vermoord meisje. Het zelfonderzoek dat een kwaliteitskrant moet uitvoeren na een exclusief verhaal over de gezondheidstoestand van een verongelukte prins. En ook de boycot van z’n muitende afnemers die een wetenschappelijke uitgeverij ertoe dwingt z’n steun aan een politieke maatregel in te trekken.

Het zijn momenten waarop het publiek z’n tanden ontbloot op dezelfde manier waarop Kinneging z’n corrigerende tik uitdeelde aan het camerateam van Rutger Castricum: “Dus nooit meer bij mij aan de deur komen en dan die lopende camera onder m’n smoel duwen!”

Ethische kluwen

Verslaggevers bewandelen een kronkelig ethisch pad. De scoop van de ene dag ontaardt zomaar in het schandaal van de volgende dag. Als zelfs een gerenommeerde journaliste als Jannetje Koelewijn van de NRC verstrikt raakt in de ethische kluwen van nieuwsgaring en privacy, lijkt het erop dat media de weg kwijt zijn.

Het wonderlijke is, dat de stemmen van de pers bijna ten onder gaan in het gekrakeel op internet van twitteraars, bloggers, hackers, podcasters, Youtubende amateuronthullers en andere Wikileakende klokkenluiders. Die misdragen zich waanzinnig vaak met privacyschendende beelden en informatie. De maatschappij voelt zich zelfs gedwongen om zich met wetten en internetpolitie te beschermen tegen digitale diefstal, misbruik en fraude.

Zolang het gaat om buitenstaanders van de min of meer officiële media kun je die hackers  nu eens als helden beschouwen, en dan weer als een zwerm strontvliegen die je willekeurig dood kunt meppen zonder je af te vragen of je daarmee wel grondrechten schendt.

Meeluisteren met een roddelgesprek roept bij de toehoorder vaak een ongemakkelijk mengsel van heimelijk genoegen en diepe schaamte op. Je hoort dingen die je als fatsoenlijk mens eigenlijk niet mag weten. Maar ja, die brutale snotjongens hebben het toch maar onthuld. En als ze gepakt worden is er niks verloren.

Commerciële druk

Maar  al die stemmen en de daarmee gepaard gaande normvervaging hebben wel invloed op de rol van de (nogmaals: ‘min of meer officiële’) pers. Die moet er maar in slagen om met ‘nette’ methoden even boeiend te blijven als de strontvliegen met hun indiscrete nieuwtjes. Want het publiek wil wel rode oortjes krijgen. Zo ontstaat er steeds meer commerciële druk om journalistiek lekker spannend te maken, ook al moet de wet daarvoor overtreden worden of beweeg je je over de grens (want die ís er) van de vrijheid van meningsuiting.

Zo mengt zich dan ook een Powned tussen de accrediteerde Binnenhof-verslaggevers. En doet Rutger Castricum een beroep op bescherming bij de bizarre uitoefening van zijn vak. Maar Castricum is toch door de mand gevallen. Powned mag nu moord en brand schreeuwen, maar de bange reporter blijkt niet opgewassen tegen een stevig gebouwde filosoof die hem even hardhandig leert waar de grenzen van nieuwgaring liggen.

Elk medium komt er op zijn eigen manier achter dat het zorgvuldig moet omspringen met zijn ‘license to operate’. En ander is het “Wegwezen nu!”.